Bijeenkomst 6: Franz Kafka’s ‘Voor de wet’, de parabel in Het Proces

Bijeenkomst 6: Franz Kafka’s ‘Voor de wet’, de parabel in Het Proces
‘Als het je zo aanlokt, waarom probeer je dan niet tóch naar binnen te gaan, al heb ik je het verboden.’

‘Iedereen streeft er toch naar de wet te bereiken’, zegt de man, ’hoe komt het dan dat in al die jaren niemand behalve ik toegang gevraagd heeft?’

‘Kun je dan geen twee stappen ver zien?’ schreeuwt de geestelijke K. vanuit de donkere kerk toe? ‘Het was in toorn uitgekreten, maar tevens de kreet van iemand, die een ander ziet vallen en omdat hij zelf geschrokken is, onbezonnen, zonder het te willen, krijst.’

Samen met Dostojevski wordt Franz Kafka (1883-1924) als één van de meest vooraanstaande existentialistische schrijvers aangeduid. In de vijfde bijeenkomst bespreekt Timo Slootweg Kafka’s duistere droomvertelling ‘Voor de wet’, onderdeel van zijn beroemde novelle Het Proces, geschreven in 1914 en gepubliceerd in 1925. Dit ‘verhaal in een verhaal’ kan worden beschouwd als de belangrijkste sleutel tot zijn gehele oeuvre. In de bijeenkomst wordt het verhaal algemenere, rechtsfilosofische betekenis toegeschreven. In Het Proces impliceert de rechtsvinding een mystiek existentieel en literair proces: een psychologisch proces van vertwijfeling en zelfwording. In dit proces wordt het zelf (dat met rechtsvinding belast is) tot een persoonlijke en creatieve beslissing aangezet. Daarmee wordt recht en gerechtigheid niet slechts ontdekt, maar juist uitgevonden en geschapen. Rechtsvinding is een vorm van kunst, zoals de parabel lijkt te suggereren. Rechtsvinding is een kunstvorm die met vrees en beven gepaard gaat. Dat is waarom Josef K. uiteindelijk niet opgewassen is hiervoor en waarom hij uiteindelijk onder de last van de vrijheid bezwijkt.

In ‘Voor de wet’ exploreert Kafka het poëtisch potentieel dat gelegen is in het ‘fantastische’ fenomeen van de bureaucratie, en in het schijnbaar antipoëtische verschijnsel van het recht. De angstwekkende confrontatie met de wet (de arrestatie van Josef K.) blijkt de tragische en paradoxale aanstoot tot een existentiële esthetica, en tot de ontwikkeling van een poëtische ethiek van rechtvaardigheid.

Synopsis van Het Proces
Josef K., een alleenstaande bankbeambte, wordt op de ochtend van zijn dertigste verjaardag in zijn slaapkamer gearresteerd. De omstandigheden van deze arrestatie zijn vreemd en absurd. De beide zogenaamde ‘bewakers’ en een ‘opziener’ verhoren hem in het bijzijn van enkele van zijn collega’s in de kamer van de buurvrouw. Waarvan hij beschuldigd wordt is niet duidelijk. Men vertelt hem alleen dat een gericht dat anoniem blijft, en dat oordeelt op basis van een onbekende wet, ‘door de schuld is aangetrokken’. Hoewel K. zich van geen overtreding bewust is, valt zijn schuldenlast niet te betwijfelen. Josef K. is eerst verbouwereerd en verontwaardigd en tracht de zaak van zich af te schudden. Daarna gaat hij in de aanval om zich vervolgens steeds intensiever in zijn proces te verdiepen en hulp te zoeken. Hij gaat op zoek naar de rechter en de aanklacht, hij neemt een advocaat in de hand en tracht zich vrij te pleiten. Al zijn pogingen om de rechtszaak te beïnvloeden en zich te verdedigen falen echter. De vreemde wet op grond waarvan hij wordt aangeklaagd onttrekt zich aan alle mogelijke rationele verklaringswijzen. Een objectieve definitie van de wet die hij overtreden zou hebben, lijkt onmogelijk te vinden te zijn. Alles wat hij probeert om de inhoud van de rechtszaak op rationele wijze te duiden loopt op niets uit. Niettemin weigert K. zijn verbeten pogingen om in het proces enige rationele legitimiteit te ontdekken en zijn queeste naar inzicht en waarheid op te geven. Een mysterieuze geestelijke zegt hem dat hij zichzelf misleidt met betrekking tot de rechtbank. Om hem zijn misvatting in te doen zien, vertelt hij hem de parabel. Hij waarschuwt hem dat hij met zijn zoektocht de veroordeling en de terechtstelling juist dichterbij brengt. Vergeefs zo blijkt, want inderdaad wordt Josef K. op de avond voor zijn eenendertigste verjaardag (een jaar na dato) vastgepakt, tot buiten de stad gebracht en ‘als een hond’ geëxecuteerd.

‘Voor de wet’ (de tekst van de parabel)
Voor de wet staat een wachter. Bij deze wachter komt een man van buiten en vraagt om tot de wet te worden toegelaten. Maar de wachter zegt, dat hij hem nu niet kan toestaan naar binnen te gaan. De man denkt na en vraagt dan, of hij later zal mogen binnentreden. ‘Het is mogelijk’, zegt de poortwachter, ‘maar nu niet.’ Omdat de poort tot de wet zoals altijd openstaat en de poortwachter opzij stapt, bukt de man zich om door de deur naar binnen te kijken. De poortwachter merkt het, lacht en zegt: ‘Als het je zo aanlokt, waarom probeer je dan niet tóch naar binnen te gaan, al heb ik je het verboden. Maar denk eraan: ik ben machtig. En ik ben alleen nog maar de laagste poortwachter. Er staan van zaal tot zaal wachters, de één nog machtiger dan de ander. De aanblik van de derde kan ik zelfs niet meer verdragen.’ Zulke moeilijkheden had de man van buiten niet verwacht; de wet moet toch voor iedereen en altijd toegankelijk zijn, denkt hij, maar als hij de poortwachter met zijn pelsjas beter bekijkt, zijn grote, spitse neus, de lange, dunne, zwarte, tartaarse baard, besluit hij toch maar liever te wachten tot hij toestemming krijgt om naar binnen te gaan. De wachter geeft hem een krukje en laat hem naast de deur plaatsnemen. Daar zit hij jaren en jaren. Hij doet vele pogingen binnengelaten te worden, en vermoeit de poortwachter met zijn gesmeek. De poortwachter verhoort hem vaak een beetje, ondervraagt hem over zijn thuis en over allerlei andere dingen, maar het zijn ongeïnteresseerde vragen zoals deftige heren ze stellen, en tot slot zegt hij telkens weer, dat hij hem nu nog niet kan binnenlaten. De man, die van alles had meegenomen voor de reis, gebruikt alles, ook het meest waardevolle, om de poortwachter om te kopen. Deze neemt weliswaar alles aan, maar zegt daarbij: ‘ik neem het alleen maar aan om je niet het gevoel te geven dat je iets hebt nagelaten’. Gedurende deze vele jaren bekijkt de man de poortwachter bijna onafgebroken. Hij vergeet de andere wachters, en deze eerste schijnt hem de enige belemmering voor de toegang tot de wet te zijn. Hij vervloekt het ongelukkige toeval, in de eerste jaren luid en lomp, later, als hij oud wordt, bromt hij alleen nog maar wat binnensmonds. Hij wordt kinds, en omdat hij in de jarenlange studie van de poortwachter ook de vlooien in zijn pelskraag heeft leren kennen, vraagt hij ook de vlooien hem te helpen de poortwachter te vermurwen. Tenslotte verzwakt het licht in zijn ogen, en weet hij niet meer, of het om hem heen nu werkelijk donkerder wordt, of dat zijn ogen hem bedriegen. Wel ontdekt hij nu in het donker een glans, die onweerstaanbaar uit de poort van de wet stroomt. Hij heeft nu niet lang meer te leven. Voordat hij dood gaat verzamelen alle ervaringen van al die tijd zich in zijn hoofd tot een vraag die hij tot nu toe nog niet aan de poortwachter gesteld heeft. Hij wenkt hem, omdat hij zijn verstarrend lichaam niet meer kan oprichten. De poortwachter moet zich over hem heen buigen, want het grootteverschil is zeer ten ongunste van de man veranderd. ‘Wat wil je nu nog weten?’ vraagt de poortwachter, ‘je bent onverzadigbaar.’ ‘Iedereen streeft er toch naar de wet te bereiken’, zegt de man, ’hoe komt het dan dat in al die jaren niemand behalve ik toegang gevraagd heeft?’ De wachter merkt, dat het einde van de man nadert, en om zijn verdwijnend gehoor te bereiken, brult hij tegen hem: ‘Hier kon niemand anders toegang krijgen, want deze ingang was alleen voor jou bestemd. ik ga nu heen, en sluit de poort’. (vert. TS)


Afdrukken